Home > achtergrond > Roze ouderschap: als twee vrouwen een kindje willen
achtergrondAlferink

Roze ouderschap: als twee vrouwen een kindje willen

(Voor Vrij Nederland) Mijn vriendin probeert zwanger te worden. Van een van mijn beste vrienden. 

Anna en ik willen een kindje samen, al heel lang. Twee zelfs, als het even kan. Anna wil de eerste dragen; haar klok tikt sneller dan de mijne. Een onbekende donor lijkt ons niets. We willen weten wie de vader van ons kind is. En we willen dat het kind zijn vader leert kennen. Johan is al jaren een hele goede vriend. We zaten bij elkaar op de crèche en op de middelbare school kruisten onze paden opnieuw. We beleefden avonturen in Chili, waar we in een koude woestijnnacht de deur van onze auto niet meer open kregen. En we crosten baldadig door Nijmegen op een onverzekerde scooter – en later over het Amsterdamse Haarlemmerplein. Dwars door de fonteinen heen.

Toch klopte mijn hart in mijn keel, toen ik op een woensdagavond tegenover hem zat in een café in Amsterdam. Trillende handen, zweet op het voorhoofd. Hoe vraag je je beste vriend of hij de vader van je kind wil worden? Ik wachtte tot een paar minuten voor sluitingstijd. ‘Zeg, waar we het laatst voor de grap over hadden, onze kinderwens zeg maar. Zou je daar eens serieus over na willen denken?’ Het bleef stil. Toen verscheen er een trotse lach. ‘Ik voel me ontzettend vereerd dat jullie me vragen.’ Gefronste wenkbrauwen. ‘Jezus. Ik ben totaal van m’n à propos.’ Johan consulteerde zijn ouders, een paar vrienden, sprak met een vrouw die volgens eenzelfde constructie kinderen had gekregen en op een zonnige ochtend in Artis meldde hij ons dat hij open stond voor onze vraag.

Donorovereenkomst of ouderschapscontract?

We voerden gesprekken over Johan’s rol en stelden elkaar vragen waar we geen van drieën meteen het antwoord op wisten. Worden Johan’s ouders ‘opa en oma’? Komt Johan’s naam op het geboortekaartje? Gaan we hem inlichten als de bevalling begint? Mag hij naar Tokio emigreren als hij dat wenst of verwachten we continuïteit in zijn contact met het kind?

De jurist die ons begeleidde maande ons tot duidelijkheid toen we de afspraken voor het eerst op papier hadden gezet: ‘Is dit een co-ouderschapsverklaring of een donorovereenkomst?’ Goeie vraag. Ons oorspronkelijke uitgangspunt was: een kind moet weten wie zijn vader is. Wíj wilden de juridische ouders worden en de opvoeding doen. Dat was óók het uitgangspunt van Johan: hij wilde ons helpen met onze kinderwens.

Maar een ‘kleine rol’ in het leven van het kind vonden we alledrie al snel ook wel wat hebben. Gaandeweg de gesprekken werd die rol steeds iets groter. Dat voelde goed. Ik gun het ons kind, ik gun het Johan. Maar toen Johan aangaf graag met Kerst tijd te willen doorbrengen met de kleine, voelde ik dat in mijn buik. Ho, dacht ik. Wij zijn toch de ouders? Het was voor mij het startsein van een ingewikkeld proces. Ons kindje heeft straks een moeder die hem draagt en voedt. Het heeft een vader op wie hij lijkt. Maar: wie ben ik in dit verhaal?

Er doemen angsten en dilemma’s op. Hoe veel ‘papa’ gaat Johan worden? Wat als ik niets voor ons kind ga voelen? Wat als hij of zij zich niet verbonden gaat voelen met mij? Hoe belangrijk is dat eigenlijk: genetisch verwant zijn aan je kind? En hoe zal dat zijn, straks, als Anna zwanger is en ik niet?

Roze moeders

Ik besluit in gesprek te gaan met vrouwen die meer weten over roze ouderschap en de positie van de niet-biologische moeder in het bijzonder. Henny Bos is hoogleraar Sexual and Gender Diversity in Families and Youth aan de UvA en op haar kamer op de negende verdieping met een prachtig uitzicht over Amsterdam plaatsen we mijn zorgen in perspectief. ‘Het maakt voor het welzijn van kinderen niet uit of ze biologisch aan beide ouders verwant zijn, dat zien we keer op keer in onderzoek’, zegt Bos. ‘Wat uitmaakt, is of ze opgroeien in een veilig gezin, waar voldoende emotionele steun is en waar zo nu en dan grenzen worden gesteld.’

Sterker nog, vertelt de professor geanimeerd, kinderen die opgroeien bij lesbische stellen scoren op een aantal terreinen béter dan kinderen met een vader en een moeder. Zo blijkt uit een langlopend Amerikaans onderzoek van Nanette Gartrell, waaraan ook Bos haar medewerking verleent. ‘Van dat verschil is nog geen sprake bij kinderen in de basisschoolleeftijd, maar zodra ze gaan puberen is de kans op ‘externaliserende probleemgedragingen’ (uitingen van agressief of limietoverschrijdend gedrag, red.) bij kinderen van lesbische ouders minder groot’, vertelt Bos. ‘Ze hebben minder sociale en psychische problemen en hun zelfbeeld is positiever.’

Lesbische stellen kiezen heel bewust voor het ouderschap’, zo duidt Bos het verschil. ‘Ze moeten wel.’ Dat zelfbewustzijn speelt door in de opvoeding. De hoogleraar waagt zich zelfs aan de uitspraak dat de aanwezigheid van een mannelijk rolmodel de mindere score van kinderen in heterogezinnen als het gaat om agressief gedrag mogelijk verklaart.

Mannelijk rolmodel

Als klap op de vuurpijl stelt Henny Bos dat de niet-biologische moeder van een lesbisch stel een betere band met haar kinderen heeft dan de heteroseksuele vader, zoals bleek uit haar promotieonderzoek. Bos: ‘Het gaat dan vooral om de emotionele betrokkenheid. Mannen in een heteroseksuele relatie werken meer dan hun vrouwen en dat heeft invloed op de mate waarin ze emotioneel betrokken zijn. Niet-biologische moeders doen juist enorm hun best in de opvoeding, om koste wat kost laten zien dat ze goede moeders zijn.’

Hanneke Felten, projectleider Effectiviteit en Diversiteit van kennisinstituut Movisie, bestudeerde eveneens nationale en internationale literatuur. Ook zij kwam tot een optimistische conclusie. ‘Opvallend is dat uit onderzoek blijkt dat jongetjes helemaal geen mannelijk rolmodel nodig hebben om zich gezond als man te kunnen ontwikkelen’, schrijft Felten op de website van Movisie. ‘Het gaat om de kwaliteit van ouderschap en het lijkt weinig uit te maken of de ouder man, vrouw, homo of hetero is.’

Kinderen van lesbische (maar ook van homoseksuele) ouders kunnen wél te maken krijgen met stigmatiseringen: ‘Wie is nou je echte moeder?’. Jongeren bij wie daar sprake van is, vertonen vaker probleemgedragingen, zegt Henny Bos. Maar nog altijd mínder vaak dan kinderen uit traditionele gezinnen.

Geen zorgen

Volgens de onderzoekers is het duidelijk: er is voor mij geen enkele reden tot zorg. Voor de ontwikkeling en het welzijn van mijn kind én voor onze onderlinge band maakt het geen verschil of ik al dan niet genetisch heb bijgedragen aan zijn of haar conceptieMaar dat is de wetenschap. Nu de praktijk. Ik wil weten hoe het voelt. Los van de statistieken en de gemiddelden: hoe ervaren andere ‘meemoeders’ de band met hun kind? Hoe beleefden zij de zwangerschap van hun partner? Hadden zij dezelfde angsten als ik?

Via via kom ik in contact met Lonne, die samen met haar partner Machteld twee dochters heeft. Machteld was zwanger van de eerste, Lonne van de tweede. Pim is de biologische vader van de meiden en hij komt regelmatig over de vloer. ‘Toen Machteld beviel van onze eerste dochter, voelde ook ik meteen: dit is mijn kind’, zegt Lonne aan de keukentafel in Amsterdam Oost. ‘Maar eerlijk gezegd was ik daar ook niet zo bang voor. Ik was vooral nieuwsgierig naar hoe het zou gaan voelen.’

Van jaloerse gevoelens tijdens de zwangerschap van haar vriendin had Lonne geen last. ‘Vooral omdat het contact tussen ons drieën zo gelijkwaardig was. Pim stelde zich bescheiden op en was steeds óók geïnteresseerd in mij, niet alleen in Machteld. Het voelde echt als een driehoek.’ Over de frequentie van het contact had het drietal van tevoren bewust geen precieze afspraken gemaakt. ‘Dat zouden we gewoon gaan zien.’ Het contact tussen Pim en de kinderen is organisch gegroeid. ‘Op een gegeven moment vroegen we of hij een keer langs wilde komen op vakantie. Dat ging heel goed. Nu komt hij ieder jaar op vakantie een weekje langs.’

Identiteitscrisis

In debatcentrum De Balie spreek ik af met Yora Rienstra, cabaretière en moeder van twee. Samen met haar partner Kirsten kreeg ze anderhalf jaar geleden een zoon. Met haar ex-vrouw werd ze zes jaar geleden voor het eerst moeder, ook van een zoon. De donoren van de kinderen hebben beiden een rol op afstand (‘ze zijn een soort oom’). En beide keren was Yora zelf niet zwanger.‘Ik vond het een vreselijk onzekere periode, bijna een soort van identiteitscrisis’, vertelt ze lachend over de eerste zwangerschap. ‘Ik had al dat soort angsten ook allemaal. Wat nou als hij helemaal niet op mij lijkt? Wat nou als ik niks heb met dat kind? En wat is nou mijn functie, wie ben ik? Je bent niet de vader, maar ook niet zwanger. En je hebt geen enkel referentiekader. Het voelde als een soort van niemandsland.’

Ter voorbereiding zocht ze bevriende vaders op om ervaringen te delen. Dat hielp. Yora: ‘In zekere zin is onze positie niet zoveel anders dan die van vaders. Ook zij kunnen niets doen tijdens de zwangerschap en moeten zoeken naar hun rol.’ ‘Maar’, merkt ze op, ‘eigenlijk vind ik het gek dat we die vraag niet óók stellen aan biologische moeders. Zij zijn misschien ook wel bang om niks te gaan voelen voor het kind of om er niks aan te vinden. Sterker nog: een biologische moeder voelt die druk misschien nog wel sterker. Wíj kunnen er tenminste nog met elkaar over praten en lachen.’

Voelbaar verschil?

Als ik Lonne vraag of ze een verschil voelt tussen haar oudste dochter en haar jongste (van wie ze zwanger was), blijft het heel even stil. ‘Ja, ik denk het wel’, zegt ze dan. ‘Absoluut niet in de mate waarin je van ze houdt. Maar van je biologische kind zie je meer dingen van jezelf terug. Van de ene kant is dat fijn omdat je sommige dingen beter kunt snappen. Maar het nadeel is dat je er minder rustig en objectief naar kunt kijken omdat het juist kan gaan om iets wat jou toch al extra raakt.’

‘Het is ook iets instinctiefs’, gaat Lonne verder. ‘Over mijn biologische dochter had ik na de geboorte soms gekke irrationele gedachten. Dan was ik bijvoorbeeld bang dat ik haar per ongeluk in het water zou laten vallen als ik op de kade liep. Dat had ik bij onze eerste niet.’

‘Maar’, vraagt ze retorisch, ‘is dat verschil zo erg?’

Yora vertelt dat ze soms door het gehuil van de baby doorsliep. ‘Misschien is dat toch iets instinctiefs, want mijn vrouw was gelijk wakker.’ Als Yora’s oudste zoon ziek is en hij zich écht beroerd voelt, kruipt hij liever weg bij zijn biologische moeder. ‘Ik heb daar totaal geen moeite mee’, vertelt Yora. ‘Ik krijg genoeg bevestiging van mijn zoon. Dit is gewoon zoals het is. Waarom zou ik daar niet naar luisteren?’

Genetische afstamming

Lastiger is hoe de buitenwereld blijft wijzen op het verschil tussen de biologische en de niet-biologische moeder. Lonne: ‘Toen ik zwanger was van onze tweede, zeiden mensen: ‘Wat leuk, nu word je ook moeder’. Yora moest dealen met opmerkingen als: ‘Wat nobel dat jij ook voor hem blijft zorgen’, toen zij en haar ex-vrouw uit elkaar gingen.

Ik vraag Henny Bos waarom genetische afstamming zo’n belangrijke factor is in opvattingen over wat (goed) ouderschap is. Waarom zelfs ik, progressieve idealist uit Amsterdam, mijzelf serieus de vraag stel wat ik ga voelen voor het kind voor wie ik vanaf dag één zal zorgen. ‘Het is iets wat we vooral in Nederland erg belangrijk vinden’, zegt Bos. ‘Net als het moederschap, ook dat is in Nederland heilig. Niet voor niets ligt het aantal keizersnedes in Nederland zo laag. Vrouwen vinden dat ze ‘op de natuurlijke manier’ pijn moeten lijden voordat ze moeder mogen worden. Dat soort mythes speelt in andere landen veel minder. Het zit een beetje in onze cultuur.’

Of je nou in God gelooft of in de evolutie: we zijn eeuwenlang geprogrammeerd met het geloof dat een biologische moeder en vader de beste ouders zijn en de beste constructie vormen voor een gezin. Je ziet het terug in films, in boeken, in de wereld om je heen. Net zoals homoseksualiteit de grenzen van wat we ‘gewoon’ vinden langzaam heeft bijgeschaafd, zo zal ons denken over ouderschap stap voor stap een plek in ons veranderende denkkader moeten veroveren.

Niemandsland

Anna stormt de slaapkamer binnen, ze heeft de stick ferm in haar hand. Is het nog niet te vroeg? ‘Google zegt dat het kan.’ De zoekmachine krijgt gelijk. De stick kleurt snel blauw. Er is geen twijfel over mogelijk: mijn vriendin is zwanger.

Die eerste dagen voelen rozegekleurd. De stad lacht, de lucht voelt lichter. ‘Eindelijk oma!’ lacht mijn moeder als we mijn familie het nieuws vertellen. ‘Och kind!’ snift de moeder van Anna. Vrienden zijn voelbaar blij, het eerste moederdagkaartje ligt al in de bus.

Maar Yora had gelijk toen ze sprak over niemandsland. De literatuur die ook onze woonkamer langzaam binnendruppelt, is zonder uitzondering gericht aan de zwangere vrouw – en voor aanstaande vaders is er het boek van Kluun. Als Anna en ik samen aan mensen vertellen dat we een kindje krijgen, gaan de eerste felicitaties naar mijn zwangere vriendin. Soms daalt het besef zelfs pas later in. ‘En jij ook gefeliciteerd, natuurlijk’. Een studievriendin uit Zwitserland vraagt ongemakkelijk: ‘word jij dan papa of mama?’

Als mijn moeder een groepje collega’s trots vertelt dat Anna zwanger is, hoort ze: ‘Oh, maar dan word jij dus geen echte oma’. Na afloop van onze eerste voorlichtingsavond sta ik met de vaders in de keuken, de lege kopjes thee van onze vrouwen in de hand. Ik voel me met hen verbonden. Maar ook weer niet.

Dat is soms eenzaam. Anderen weten niet precies hoe ze zich in deze tot mij moeten verhouden, maar ook ik ken mijn rol nog niet. En dat gebrek aan referentiekader maakt onzeker. Precies dat is waarom ik het soms voel, in mijn buik, als het gaat over Johan’s rol als vader, of over de betekenis van biologische verwantschap. Omdat ik mijn eigen rol niet ken. Omdat mijn moederschap nog niet tastbaar is.

Ondertussen groeit de baby onverstoorbaar door. Als we thuiskomen van de eerste echo zijn we blij, thrilled, emotioneel. Alles is goed met de baby: het hartje klopt, het lijfje is zo groot als een boon. Anna pakt mijn hand en legt die op haar buik. ‘Voel maar’, zegt ze.