Rouwen om een vriend
Ooit was je geen vriend maar een vriendje, mijn vriendje. In de tijd dat we nog jong waren en ik niet zo goed wist wat het verschil was tussen vriendschap en verliefdheid, tussen mannen, vrouwen en alles wat zich daar tussenin bewoog. Jij was gewoon Jonas, een briljant schrijver, ook al was je pas vijftien. Toen onze juf Nederlands de wereld van de woorden voor ons openbrak, ontdekten wij gulzig dat er meer uit het leven te halen viel dan de roze koeken die jij in de schoolpauzes bij de buurtsuper kocht. Ik wilde met jou schrijven, omdat ik in jou zag wat ik voelde. Een zeker anders zijn. Een veelkleurig gevoelsleven. Jij zag in mij iemand die jou zag, denk ik. En die het je knap lastig maakte, toen ik toch de vrouwenliefde verkoos boven die voor mannen.
We vonden elkaar weer tussen onze vrienden, en ontdekten opnieuw een eigen taal. ‘Matig’, zei jij soms – en dan wist ik dat het donker je zwaarmoedig stemde. De eerste jaren was ik voorzichtiger dan jij, maar het was bevrijdend om taal te geven aan wat ik dan pas durfde voelen. Omdat jij het bij luisteren kon laten. Omdat niets jou te gek was – je kende immers al mijn gektes al en ik kende die van jou. Toen ik mijn zwangerschap verloor, schreef je: “You can’t control the waves, but you can learn how to surf. Het leven kan soms voelen als een bootje, dobberend op een zwarte zee. Het is oké om verdrietig te zijn. Het is oké om het niet te weten.”
Soms weet je pas na afloop hoe dierbaar iemand je is. Bij jou heb ik zo vaak gevoeld hoeveel ik van je hou en jij was nooit bang om dat te zeggen: ‘ik hou van jou’ – precies wat ik tegen jóu zei toen we die maandag samen lunchten in een Utrechts café en ik niet wist wat ik zag toen ik je zag zitten. Een hoopje lijf, bij elkaar geraapt om niet ter plekke uit elkaar te vallen. Het was een willekeurige week, in een willekeurige winter, maar ik voelde dat er iets verloren was. Ik dacht te veel na over de juiste woorden. Ik maakte me zorgen over jou. De ruimte was al niet meer van ons samen.
Op dinsdag appte je dat het geen Crohn was, geen allergie voor gluten. Het was een tumor, kanker, bam. Op woensdag was die al niet meer te genezen. Ik was bang en wilde weg van wat ik nog niet wilde weten. Jij was boos, onmetelijk boos maar kon daar geen kant mee op. Je had verdomme net gevonden waar je zo lang naar had gezocht: de liefde voor het leven, de geboorte van een zoon. Na al die jaren zwoegen, was je eindelijk wie en waar je wilde zijn: papa, echtgenoot, het grote gewone leven, zie je wel: je kon het tóch.
Vrijwel meteen werd het vrij donker. Het was te wreed om te blijven koesteren wat je zou gaan verliezen. Om nabij te houden van wie je afscheid moest gaan nemen. Hoe kon je daar nou nog mee leven? Hoe moest je daar nou goed mee sterven? Met mij liep je rondjes en we dronken thee. Ik vroeg, jij antwoordde, je was er niet, je was er wel. Soms bleven ook mijn woorden stil. We spraken elkaars taal niet meer, het spiegelglas was stuk. Wist ik veel, hoe het voelde om zo plotseling een toekomst te verliezen. Om zo ziek te zijn.
Totdat jij ineens het levenslicht weer zag. Je besloot te willen leven, in plaats van ziek te zijn van chemo. Je liet los wat niet meer vast te houden was. Toen pas kon je er zijn met wat er was. En wij met jou. In Drenthe met de hechte oude vriendengroep, waar je ons liefdevol omarmde om hoe dierbaar en dankbaar je ons was. Een serene wandeling langs de Oude Gracht, over de onmisbare waarde van een gedeeld innerlijk leven en hoe ik je in godsnaam moest gaan missen. ‘Ik moet iederéén gaan missen’, zei je zacht, we keken uit over het water. ‘Maar ik wil zo graag weten hoe het met jullie verder gaat!’
Cadeautjes, hij kocht cadeautjes voor iedere verjaardag die hij zou gaan missen van zijn zoon. Zo intens lief. Hij trouwde met zijn liefste vrouw. De meedogenloosheid. ‘Als je me mist, dan roep je me maar aan’, zei je hoopvol met je hoofd tegen mijn schouder. Het begon zachtjes te regenen. Het was goed zo, we hadden elkaar gevonden, vastgehouden, en de taal was weer van ons geweest, dit was ons afscheid. Een paar weken later zei ik: ‘Het is goed, gekkie, je geeft niet op maar je wil gaan als Jonas.’ Die knuffel bleek de laatste.
En toen ging hij dus echt. Zelfs eerder nog dan voorbereid – maar een definitief afscheid komt altijd te vroeg.Ontreddering! Berusting. Dit was de wereld zonder hem. Zo aangekondigd als zijn sterven was, zo abrupt voelt nu zijn dood. Er is geen grijs gebied, het is leven óf niet leven. Ik ben er eigenlijk verbolgen over, maar dat moet ik misschien niet hardop zeggen. Ook het leven zelf verandert van concept. Die idiote fragiliteit.Weerloos is alles van waarde. Kan dat niet eens andersom, dat niet het leven maar de dood haar waarde verliest?
Het was mooi hoe we hem samen droegen. In de stromende regen, in een mand die eigenlijk te zwaar was nu we nog maar met zijn zessen zijn. Marjoleine de Vos schrijft: ‘Rond de dood kun je bijna niet dankbaar genoeg zijn voor rituelen die niet vragen wat je wilt, maar voorschrijven wat je moet’. De mensen. De foto’s. De muziek. Zelfs de regen. De rituelen wonen in ons, dat is onze troost. Ze maken tastbaar wat nog steeds niet te geloven is. ‘Mama, ik mis ome Jonas.’ Ja, natuurlijk, lieve schat. Ik leg twee handen op zijn hart. ‘Voel je hoe dichtbij hij is?’ Ik vertel mijn zoon over de zielen. Het kan er allebei zijn en tegelijkertijd: het rouwen en de liefde. De dood en het geleefde leven. Dat wat weg is, dat wat blijft. ‘Blijft hij echt voor altijd dood?’ De leegte is zo moeilijk te omarmen. ‘Jij’ wordt langzaam ‘hij’ en het ‘wij’ bestaat niet meer. Zo rauw is het. Het is niet meer dan dat, al willen we er zo graag meer van maken.
‘Maar ik ben er ook nog wél’, lacht Jonas als de tranen blijven stromen – en ik voel het, hij ís er, vanzelfsprekend en tastbaar dichtbij. Andrew Garfield zei in All there is over het missen van zijn moeder: ‘Only in inhabiting the absence, I can feel her close again.’ Júist in het missen, ín het boos zijn, ín de leegte, in de liefde, waarin alles dichtbij is. In de stilte, waarin niets is en alles tegelijk. Het gekke is: Jonas was de vriend met wie ik de melancholieën deelde, maar ik mis zijn optimisme nog het meest. De zin om van de dagen iets te maken, zijn levenslustige lach en liefdevolle trouw. Ik mis hoeveel ik voor hem betekende. Wie ik voor hem was, wie ik bij hem kon zijn. Ik mis je nu de herfst invalt en jij aan één appje genoeg zou hebben gehad. Ik zou dit gevoel van rouw zo graag met hem willen delen.
‘Ik bepaal niet de koers, de zee bepaalt de koers’, schreef Jonas op de rouwkaart die hij zelf schilderde. Rouw komt en gaat; soms overvalt het je maar het verdwijnt ook weer, aan het roer valt weinig bij te sturen. You can’t control the waves. De sluier is nog grauw. Mistig, om maar niet bang en boos te hoeven zijn. Niet te durven omarmen wat en dat wij in the end allemáál zullen verliezen: het leven, elkaar. Af en toe knalt er een donderwolk de hemel in. Verdomme, Jonas.
Maar soms breekt ook het zonlicht door. De avond kleurt nog mooier. Alsof het donker van de rouw ook openbreekt wat lang verscholen lag. De zin om te leven, hoe onzinnig alles ook. Het is oké om verdrietig te zijn. Het is oké om het niet te weten. Soms is hij alweer hier, gewoon zoals hij was. Hij zegt wat hij denkt, omdat ik weet wat hij zou zeggen. In de Amelisweerd staat een herinneringsbankje voor hem. Dat mag er staan, het blijft bestaan. De wereld is niet zonder Jonas, hij leeft niet alleen in mijn gedachten. Hij leeft in iedereen.

