Hoe wij samen moedig, trots en eigen zijn!
Amsterdam, 2026, Stadsschouwburg Amsterdam. ‘Zijn gezicht is ons gezicht; zijn leven is ons leven’, zegt Marie-Claire Molly in Wachten op Marsha van regisseur Raymi Sambo. Anders gezegd: als een van ons een klap in diens gezicht krijgt, dan krijgen wij allemáál een klap in ons gezicht.Dan vecht je terug, voor jezelf maar ook vóór de ander; voor elkáár. Ik knikte instemmend, klapte hard mee met de rest van het publiek en er sprongen zelfs een paar melodramatische tranen in mijn ogen, waarvoor ik me direct schaamde. Maar toch. Wat ik voelde, was echt. Een gevoel van kameraadschap, van sense of belonging en onderlinge solidariteit. Dat er een ‘wij’ was, en dat ik daar bij hoorde. Datzelfde gevoel had ik toen ik op een brug in de Jordaan mijn vrouw kuste. Toen ik het Tropenmuseum verlicht zag in de kleuren van de regenboog. Mijn regenboog. Onze regenboog. Bij het zien van zoveel queer vlaggen die wapperden op de trams en tegen de gevels, van zelfs de buurtfietsenmaker en de bakker, tegen de spijlen van de balkons van zoveel verschillende mensen.
De publieke ruimte, die zelden van ons is, behoorde ons ineens twee volle weken toe. Ik voelde trots en ik voelde verwarring, om hoe goed dat voelde. Elkaar durven kussen zonder vanzelfsprekend ongemak. Toebehoren aan een groot en vanzelfsprekend collectief. Bij daglicht nota bene, níet in de obscure schaduw van de nacht. Een burgemeester die overal bij was, strijdvaardig en lief. Een koningin die uit het hart sprak en ons opriep te genieten.
Is liefde gewoon liefde?
Dat ‘wij’ en die trots heb ik heel lang niet gevoeld, of anders. Ik was een jonge vrouw die weliswaar op meiden viel, maar die niet lesbisch was. ‘Liefde is liefde’, zei premier Rob Jetten tegen Splinter. Precies dat was hoe ik het wilde en hoe ik het zag: dat mijn queerness als het ware bijvoeglijk zou zijn en géén zelfstandig naamwoord. Dat ik niet in alles queer hoefde te zijn of hoefde te leven. Ik was een kind van de jaren ’90, ik zag mezelf als individu. Onderlinge solidariteit? Dat klonk alsof we lotgenoten waren, maar queer zijn was toch geen ziekte? Het was een volle overtuiging, én een vorm van conformisme. Door mezelf niet als anders te zien, hoefde ik me ook niet anders te voelen.
Amerikaanse sponsors haken af
Dat ik moeder werd, veranderde veel. De weg ernaartoe, het keurslijf dat nog minder paste, hoezeer ik me als ‘echte moeder’ steeds te bewijzen had. Onze verantwoordelijkheid, onze kwetsbaarheid. Maar ook de hardere tijden en alarmerende cijfers. De anti-queer propaganda in het politieke debat, de online haat- en desinformatiecampagnes en de strak georganiseerde politieke infrastructuur die daarachter schuilgaat. De Amerikaanse multinationals Meta en Amazon die zich terugtrokken als sponsor van Pride Amsterdam. De Nederlandse bedrijven die hun diversiteitsdoelen schrapten of aanpasten (Philips, ASML, Arcadis) en specifieke verwijzingen naar de regenboog community van hun website wisten. Het draagt allemaal bij aan de pijn van een gevoel dat een Joodse vriendin zo treffend verwoordde: “Dat er mensen zijn die liever willen dat je er niet bent.”

Het persoonlijke is weer politiek
Voor ons is het persoonlijke weer politiek geworden. Kun je nog ‘toevallig’ homo zijn, non-binair of bi? Kun je nog ‘bijvoeglijk’ genieten van de lesbische liefde, of is lesbisch, queer -of wat dan ook- wie je ten diepste bent? En wie bepaalt dat: de samenleving of ik? Moet ik me verhouden tot het collectief of mag ik daar zelf voor kiezen vanuit een zekere trots? ‘Ben je queer in 2026, dan verricht je een politieke daad’, schreef Kustaw Bessems in zijn column voor de Volkskrant. ‘Je vraagt er niet om, maar het is zo.’ Precies dat: je vraagt er niet om, maar het is zo. Liefde als verzet. Een kus als een statement. Niet omdat het zo voelt, maar ‘omdat je kwetsbaar bent en tóch blijft durven’, zoals schrijver en zanger Xillan Macrooy zei tijdens een bijeenkomst in boekhandel Scheltema. Liefde als verzet omdat je niet inbindt. Omdat je bij jezelf blijft – en daarmee anders durft te zijn.
Plezier hebben als daad van verzet
Zo bezien is dat gevoel van ‘wij’ haast onvermijdelijk; opgelegd door politici die polariseren en rechten die onder druk staan, en van binnenuit versterkt door de noodzaak om samen in verzet te komen. En toch was dat niet hoe ik het voelde, tijdens deze World Pride. Ik voelde en zag iets wat de emoties en zorgen oversteeg: trots, plezier, queer, pride! ‘Plezier hebben is een vorm van zelfzorg en daarmee een daad van verzet’, stelt schrijver Rachel Rumai Diaz in het Optimistisch queer handboek voor hardere tijden. ‘Door te genieten eis je je lichaam, je tijd en je ruimte opnieuw op.’

Een strijdbaar ‘wij’ dat niet anders is maar eigen
Dat is wat ik voelde, deze Pride, sterker dan ooit. Dat we plezier kunnen maken, júist nu. Dat er een ‘wij’ is dat niet alleen strijdbaar voor elkaar opkomt en zich samen verzet, maar dat vol overtuiging durft te lachen, te leven, en niet anders maar eigen is. Een ‘wij’ dat zich niet laat definiëren door afwijzing, anders zijn of strijd, maar door trots, plezier en eigenheid. Een positieve keuze om uit te dragen wie wíj zijn en wat wíj de wereld bieden. Dan zie ik moedige mensen, die steeds opnieuw leren om hun eigen weg te volgen en als vanzelf de status quo bevragen, taboes doorbreken en grenzen verleggen. Mensen die trouw zijn en eigenzinnig, en van niemand anders dan onszelf. Die weten hoe je trots kunt zijn en plezier kunt maken, despite it all. Ik zie hoe we strálen als we de ruimte krijgen. En samen verschrikkelijk mooi eigen zijn.

