Home > Alferink > Wees lief voor elkaar, stond op de stoep geschreven
Alferinkcolumn

Wees lief voor elkaar, stond op de stoep geschreven

‘We zullen met elkaar moeten zoeken naar het nieuwe normaal in de anderhalve meter-samenleving’, zei Rutte dinsdagavond op televisie. Ik zat met het bord op schoot, mijn vork viel op de grond. Ik tuurde naar het scherm. Mijn god, dacht ik. Ik hoorde mijn partner slikken.

Is dit een subtiele boodschap van hoop omdat er gekeken wordt voorbij de pandemie, of een verborgen waarschuwing die ons laat weten: wen er maar aan, het leven wordt nooit meer zoals het was. ‘Het nieuwe normaal, want het oude is niet meer.’ Zoiets?

Die eerste week had het nog zo prima geleken. Echt, we kunnen dit, zo lang we gezond blijven maken we er gewoon het beste van. Natuurlijk was er schrik – en vooruit, ook een vleugje angst, maar wat hoefde er opeens een hoop niet meer. Mijn agenda was leeg, letterlijk, en in dat eerste weekend zonder hoeven, voelden wij als jonge moeders dat we eindelijk konden gaan bijkomen van anderhalf jaar gebroken nachten. En dan ging de zon nog schijnen ook – hadden wij even geluk met ons balkon. Gauw bestelde ik een zandbak voor ons mannetje van anderhalf.

Toen kwam week twee. In week twee was ik in de war. De dag voltrok zich langs een aaneenschakeling van dilemma’s. Moet ik mijn handen wassen na het aannemen van een pakketje? En als ik de doos daarna nog een keer aanraak? Wat spreken we af: mag ons zoontje nog naar de speeltuin? Hoe denk jij, wat denk ik, wat doen onze vrienden? Op een ochtend moest ik drie keer niezen – was ik nu verkouden? En hoe zat het nu precies met de deur en de klink?

Het was ook een week van tegenstrijdige emoties. Momenten van oprechte dankbaarheid (‘Wat hebben we het toch eigenlijk goed’) wisselden vlotjes met momenten van somberte en ongerustheid – want de beelden werden heftiger en de verhalen grepen naar de keel. Soms voelde ik me een tikje vervreemd, omdat ik buiten ons drieën niemand meer zag, maar ik voelde me ook verbonden want het onderlinge gevoel van solidariteit was groot.

Ik fietste langs de Dam, waar helemaal niemand was. Ik leunde met mijn armen over het stuur en keek naar de leegte van het plein dat anders zo vol was, en in die eerste lentezon voelde ik me gelukkig en verdrietig tegelijk, in deze stad zo zonder mensen. Op het Rokin en langs de Amstel hoorde ik het water rustgevend kabbelen tegen de kade, de boten lagen stil en er klonken geen verschrikte toeristen of vloekende Amsterdammers op de fiets. ‘Lieve stad, even geduld a.u.b.’ stond er op de gevel van theater De Kleine Komedie. Op de affiches van Carré las ik: ‘Zorg goed voor elkaar’ en ik dacht aan onze oude burgemeester.

En toen kwam week drie. ‘We verlengen de maatregelen met nog eens drie weken’, sprak Rutte, het was opnieuw een dinsdag. Thuis begonnen de systemen te haperen. De door mijn partner en mij zorgvuldig bedachte werk-zorgverdeling (‘jij de ochtend, ik de middag’) werkte niet meer. ‘Ik heb een paar ingelaste Zoom-vergaderingen waar ik echt bij moet zijn’, stelde mijn partner. En dus wisselden we elkaar soms per uur of per paar uur af en begon alles door elkaar heen te lopen: vergaderen op de slaapkamer, torens bouwen, over tafels kruipen, een uurtje research op bed, mandarijntje pellen, flesje maken, gauw een frisse neus maar niet te lang want mama moet nog…

Ik voel me een slechte moeder, want ik ben er veel maar ik ben er maar half. Ik voel me een slechte partner, want ik ben al kwaad als mijn vrouw me tien minuten later aflost dan gepland. Ik maak me zorgen om mijn zoontje, die ik thuis moet houden terwijl hij net kan lopen. Hij houdt zich goed, maar ik voel dat hij zijn grote familie mist en de interactie met de kindjes op de crèche. Ik prijs me gelukkig met onze gezondheid, met het feit dat ik niet alleen ben, dat ik nog werk heb en dat de zon buiten schijnt. En ik voel me schuldig over wat ik voel: dat ik het gehád heb met dat klotevirus dat onze levens zo ongrijpbaar op zijn kop zet.

En toen werd het dinsdag. Rutte gaf ons een opdracht. We moeten met elkaar gaan zoeken naar ‘het nieuwe normaal’. Voor onze nieuw in te richten ‘anderhalve meter-samenleving’. Samenleving. Dat klinkt niet meer als van tijdelijke aard. Dan heb je het niet meer over een overbruggingsperiode van weken of maanden. En eigenlijk zelfs niet van jaren. Toch?

‘Hoe moet dat nou?’, vroeg ik retorisch aan mijn vrouw. Mijn zoontje keek beteuterd naar het scherm. Ik miste mijn ouders, zou ik die nog kunnen knuffelen? De gedachte voelde ietwat pathetisch, of was het een realistisch vergezicht? Ik dacht aan de betekenis voor kwetsbare mensen. Hoe lang moeten zij het publieke leven nog gaan mijden?

En wat zou het psychologisch met ons doen: een samenleving waarin iedere anderhalve meter ons herinnert aan risico’s, zorgen en angst? Als we iedere willekeurige ander blijven zien als potentieel gevaar? Wat doet dat met ons gevoel van ontspanning en verbondenheid? Hoe moet dat nou als afstand de norm wordt, terwijl voor troost en liefde nou juist nabijheid nodig is? Wat betekent dat voor het gevoel van eenzaamheid dat alleen al in Amsterdam de helft van alle volwassenen treft?

‘Stoppen’, zei mijn vrouw terwijl ze me een tik op mijn schouder gaf. Ze zette de tv uit en trok een reep chocola uit de kast. Ik forceerde een glimlach en beet op mijn lip. Mijn zoon hoorde buiten een trein voorbij vliegen. ‘Auto? Auto?’ In zijn vrolijke gele pakkie rende hij schaterlachend en met gestrekte armpjes naar me toe. ‘Kijk maar’, zei ik en ik wees door het raam naar de sprinter op het spoor. Een oudere vrouw die voorbij liep, keek op. Ons jochie zwaaide door het raam. De vrouw glimlachte terug. Wees lief voor elkaar, stond op de stoep geschreven. Dwars door de muren heen.